Wie wil er nou nog wethouder zijn?

Frans Stienen (wethouder gemeente Helmond) vraagt zich af hoe het weer leuk kan worden …

Zijn agenda zit bomvol. Met vergaderingen, besprekingen, leeswerk en het college van B&W dat steeds langer vergadert. De voorstellen worden steeds langer en de collegeleden delen steeds meer informatie met elkaar Frans Stienen is al lange tijd wethouder, heeft veel en uiteenlopende domeinen in zijn portefeuille waarop hij stevige resultaten boekt. Desondanks stelt hij: ‘Het is steeds lastiger om wethouder te zijn. Wie heeft tegenwoordig nog lef?’

stienen1Het antwoord van Frans Stienen op onze vraag naar wat iemand nu een goede wethouder maakt: ‘Lef’. Men begint idealistisch aan de functie van wethouder, maar door teruglopende budgetten wordt het steeds moeilijker om een visie te realiseren en daarmee om (verkiezings)beloften na te komen. Tegelijkertijd wordt de burger steeds mondiger – met name de tegenstanders roeren zich op allerlei digitale platforms. Een goede discussie op basis van argumenten wordt dan heel lastig.

De wethouder: ‘Een goede discussie voeren met alle burgers en alle belanghebbenden bij een project is nooit gemakkelijk geweest. Maar nu is het voor tegenstanders wel erg gemakkelijk om hun bezwaren via sociale media kenbaar te maken. Er is geen drempel meer – ook niet qua toonzetting. Voorstanders laten zich dan nóg minder snel horen. Deze onbalans zie je terug in de media. Dat is iets van de laatste jaren – en knap lastig te doorbreken.’

Interventies durven plegen
Wat niet nieuw is: Politici houden er niet van om slecht nieuws te brengen. Een collegeperiode duurt (in principe) vier jaar: in de praktijk komt dit neer op één jaar om plannen te maken, één jaar voor besluitvorming en twee jaar om alles tot uitvoer te brengen. Dat is vaak te kort. Frans, die inmiddels negen jaar wethouder is in Helmond, refereert aan zijn eerste periode: ‘De stad wilde voor 2020 groeien naar 120.000 inwoners. Alle beleid was hierop geënt. Na drie maanden in functie heb ik voorgesteld dit bij te stellen, naar 100.000 inwoners. Natuurlijk had dit forse consequenties, met name voor het grondbedrijf. Toch is het gelukt om de raad ervan te overtuigen dat we van realistische scenario’s moeten uitgaan. En nu hebben we net de 90.000e Helmondenaar verwelkomd en lijken we inderdaad onder de 100.000 te blijven.’

Ook op andere fronten heeft Frans Stienen laten zien niet bang te zijn om een interventie te plegen. Sinds een jaar heeft hij Cultuur in zijn portefeuille. Dit leidde al snel tot de aanstelling van een nieuw, jonger bestuur van het recent geopende cultureel centrum ’De Cacaofabriek’. Hun taak was om het centrum te laten aansluiten bij de lokale behoeften. Iets vergelijkbaars gebeurde bij Citymarketing: ook hier kwam een jong bestuur , dat nadrukkelijk wilde gaan samenwerken met het lokale bedrijfsleven. Kort daarop won Helmond de Nationale Citymarketing Trofee.
Frans hierover: ‘Ik ben inmiddels 63 en namens het CDA bezig aan mijn derde periode als wethouder in Helmond. Dan maak je je niet meer zo druk over je verdere (politieke) carrière. Maar wat als je jong bent en ambities hebt, in de politiek of daarbuiten? Voor die generatie getuigt het van lef om bestuurder te worden.’

Op de werkvloer
Overigens wordt het blijkbaar ook steeds minder aantrekkelijk om ambtenaar te zijn. De gemeente Helmond beschikt over 700 ambtenaren ‘en daar zit één twintiger tussen’. Frans Stienen vraagt zich regelmatig af of de gemeente daarmee niet het risico loopt om de aansluiting met ‘de Helmondenaar’ te verliezen. Ook hij kent de gedachte dat dit kan worden opgelost door nog nadrukkelijker samen op te trekken met lokale ondernemers en het maatschappelijk middenveld. Dat gemeenten hen moeten faciliteren in het bedenken en realiseren van initiatieven waar de stad beter van wordt. Maar hij is sceptisch.

helmondRichard (Middenin) begrijpt dat: ‘Het vraagt om een fundamenteel andere houding van ambtenaren, met bijbehorende vaardigheden. In plaats van de veelgestelde vraag wie de regie voert, zou centraal moeten staan: Wat is ons gezamenlijk belang – en wat kunnen en willen we dan voor elkaar betekenen?’ De wethouder is het daarmee eens. Hij ziet deze houding ook bij jongere generaties. Juist om die reden is hij alert op de invulling van bestuursfuncties bij lokale maatschappelijke partners. De nieuwe generatie verschuift de focus van alleen overheid naar juist een samenwerking tussen het bedrijfsleven en de overheid.

Open planprocessen
Richard refereert aan het concept van de ‘Sportboulevard De Braak’, dat beide heren samen ontwikkelden: ‘In 2008 stond alles in de steigers om dit concept mét alle betrokken verenigingen en ondernemers verder uit te werken’. Op die manier moest een ‘haalbaar’ plan ontstaan, waarvan alle partijen beter zouden worden. Helaas werd het toenmalige concept door de belangrijkste partner, de BVO Helmond Sport, op de plank gelegd. Frans: ‘Maar het ligt nu weer op tafel, met bovendien een sportopleiding die onderdeel wil zijn van de plannen.’

Richard geeft aan dat Middenin sinds 2008 veel ervaring heeft opgedaan met planprocessen waarin de gebruiker centraal wordt gesteld: ‘Een dergelijke benadering past ook in de gedachte dat een gemeente maatschappelijke organisaties als volwaardige partners ziet, die bijdragen aan de realisatie van (beleids)doelstellingen. Wat is voor hen van belang? Wanneer is er voor hen sprake van een ‘haalbaar’ plan, dat leidt tot een solide toekomstperspectief?’

Investeren in meerwaarde
De ervaring wijst uit dat deze werkwijze niet alleen tot realistische plannen leidt; het zorgt bovendien voor ambassadeurs buiten het gemeentehuis, die een project positief onder de aandacht brengen. In plaats van een ‘ambitie van de gemeente’ wordt een plan ‘een meerwaarde voor de stad’. De (structurele) haalbaarheid wordt vergroot en de (eenmalige) investering verdedigbaar – en dan zou zomaar weer eens makkelijk en leuk kunnen zijn om wethouder te worden!

U begrijpt dat dit gesprek nog niet ten einde was – maar dat is voor een ander moment …