Jaren zeventig

Bouwen voor de buurt wordt bouwen met de buurt

We staan aan de vooravond van een nieuwe stroming in de ruimtelijke ontwikkeling. Door verminderde financieringsmogelijkheden, veranderde wet- en regelgeving en een afname van groei en daarmee vraag naar vierkante meters vastgoed lijkt een inzicht te ontstaan dat zaken fundamenteel anders moeten. Architecten, projectontwikkelaars, corporaties, maar ook in zekere mate beleggers en ambtenaren zijn op zoek naar hun “nieuwe ik” en dito strategie.

Veel gehoorde thema’s zijn:

  • Natuurlijke groei, ontwikkelend beheer, slow urbanism
  • Aandacht voor lokale identiteit, bottom-up, eigen initiatieven
  • Herontwikkeling
  • Co-creatie, participatie, community planning
  • Duurzaamheid (milieu, energie, mobiliteit)

Aangezien er sprake lijkt te zijn van een stroming, is het wellicht aardig deze in een context te zien.

Stromingen in de ruimtelijke ontwikkeling (architectuur, stedenbouw, ruimtelijk ordening) waren vaak actie – reactie. Zoals de moderne beweging van o.a. Corbusier een reactie was op de traditionele architectuur. En de stadsvernieuwing een reactie op de wederopbouw en grootse gebaren van het modernisme.

De actuele thema’s van het – laten we het gemakshalve noemen – het ‘post-crisis-denken’ lijken veel gelijkenissen te hebben met deze periode van de stadsvernieuwing. Destijds waren de oude stadswijken verwaarloosd in de wederopbouw. Het moderne bouwen had te weinig aandacht gehad voor de kenmerken van de bestaande stad. De jaren vijftig en zestig hadden immers in het kader gestaan van sanering en opbouw van de economie, dat zich uitte in grootschalige kantoorpanden, moderne winkelboulevards, verkeersdoorbraken en parkeergarages.

De stadsvernieuwing stond voor kleinschaligheid (denk aan de kleinschalige natuurlijke groei in het regeerakkoord), prioriteit voor het wonen, bewoner centraal en erkenning van de bestaande stad. Geen grootschalige sloop maar verbetering van bestaande woningen. Onder het motto ‘bouwen voor de buurt’ werden vaak dorpsachtige woningbouwprojecten in binnenstedelijke locaties gerealiseerd. De menselijke maat gold als mantra. “Van der Werf (1997): “Leidende begrippen zijn vernieuwing, keuzevrijheid, maatschappelijke ontplooiing, basisdemocratie en gelijke kansen”.

Klinkt grotendeels bekend in de oren. Waarom hebben de jaren negentig en nul dan weer in het teken gestaan van grootse gebaren? Zoals landmarks, iconen en grootse stedelijke projecten als de Rotterdamse Kop van Zuid?

Waarom zette de stadsvernieuwing niet door en wat kunnen we daar nu van leren?

Navraag bij ervaringsdeskundigen schetst een beeld van mislukt idealisme. Te veel bouwen voor de sociale onderklasse, te monofunctioneel op het wonen, sober materiaalgebruik (trespa en dakkapellen) en wellicht het failliet van de maakbaarheidsgedachte.

Een belangrijk onderscheid kan nu zijn, het niet van bovenaf te willen bepalen welke functies en welke mensen ergens wonen, werken of recreëren. De gedachte lokale initiatieven te faciliteren en een flexibele strategie te hanteren kan hier het verschil maken. En daarmee een duurzame verandering in (het denken over) de ruimtelijke ontwikkeling betekenen.

Geschreven door: Maaike